Iedereen heeft er eentje. Die stoel. Niet om op te zitten, dat stadium zijn we allang voorbij. Nee, deze stoel heeft een hogere roeping gekregen: tijdelijke opslag van kleding die “nog niet vies genoeg is voor de was, maar ook niet schoon genoeg voor de kast”.
Het begint onschuldig. Een trui. Een spijkerbroek. Misschien een vest. Maar voor je het weet heeft die stoel een complete textielbiografie opgebouwd en kijk je ernaar alsof het een complexe archeologische opgraving is. Onderop ligt de outfit van vorige week dinsdag. Daarboven een sportlegging met twijfelstatus. En ergens halverwege iets waarvan je niet meer weet of het ooit echt van jou is geweest.
Het probleem met zo’n stoel is niet alleen dat hij rommelig oogt. Het probleem is vooral dat hij je dwingt tot dagelijkse besluitvorming. Kan dit nog aan? Heb ik dit gisteren gedragen? Ruikt deze trui nog maatschappelijk acceptabel? Het zijn vragen die een mens niet vóór negen uur zou moeten beantwoorden.
De oplossing is gelukkig simpel: vervang de stoel niet, maar geef de tussenfase een officiële plek. Een haak. Een mand. Eén plank in de kast. Desnoods een elegante variant van: “hier liggen de kleren met open eindjes”. Want dat is het eigenlijk. Geen schone was, geen vuile was, maar diplomatiek textiel.
Belangrijk is wel dat je jezelf begrenst. Eén plek. Niet een hele stoel, een halve commode en een deel van de loopband die toch al nooit als loopband gebruikt werd. Zodra “voor later” te veel vierkante meter krijgt, neemt het onmiddellijk de macht over.
Het fijne van zo’n vaste plek is dat je huis er rustiger van oogt, maar vooral dat je hoofd minder discussie hoeft te voeren met een stapel kleding. En dat scheelt. Zeker op ochtenden waarop je al genoeg te verwerken hebt, zoals sokken die opeens nergens blijken te zijn.
Dus nee, je bent niet slordig. Je had gewoon nog geen goed systeem voor kleding met een tussenstatus. En eerlijk: dat is ongeveer de helft van het volwassen leven — omgaan met dingen die nergens helemaal bij horen.




Geef een reactie